Épernay: bubbels, historie en ondergrondse schatten

Er zijn van die plekken waar je na een paar stappen al voelt dat je ergens bijzonders bent. Voor mij was dat het geval in Épernay, in het hart van de Champagnestreek. Een charmant stadje, omringd door glooiende wijngaarden, waar het niet de klokken zijn die klinken, maar de kurken die poppen.
We kwamen aan op een zonnige lentedag, en trokken meteen naar het pronkstuk van de stad: de Avenue de Champagne. Een brede laan die zich uitstrekt vanaf het centrum en die je gerust de Champs-Élysées van de champagne mag noemen. Alleen al de statige huizen met smeedijzeren poorten en perfect onderhouden tuinen zijn het bekijken waard. Maar het zijn de namen op de gevels die je blik vasthouden: Moët & Chandon, Perrier-Jouët, Pol Roger, Boizel… Alsof je door een levende encyclopedie van champagne wandelt.
Wat je niet meteen ziet, is wat er onder je voeten ligt. Letterlijk kilometers aan gangen en kelders, uitgehouwen in het krijtgesteente, waar miljoenen flessen champagne liggen te rusten. De stad leeft dus niet alleen boven de grond, maar ook eronder.
Onze eerste stop was bij Boizel, een van de kleinere, familiegerichte huizen aan de Avenue. En eerlijk: wat een fijne verrassing. Waar sommige grote merken nogal gelikt kunnen aanvoelen, was Boizel warm, persoonlijk en vooral: echt. We kregen een rondleiding door de kelders, waar je duidelijk de sporen van tijd voelt. Muren zwart van de jaren, de geur van vocht en gist, en rijen flessen die liggen te wachten op hun moment. Daarna volgde natuurlijk een proeverij, en de finesse van hun Blanc de Blancs blijft me bij. Elegant, fris en met een verhaal.
We wandelden verder langs het trottoir van bubbels. Bij Moët & Chandon, misschien wel het bekendste champagnehuis ter wereld, valt op hoe groots alles is opgezet. Hun kelders zijn een labyrint van meer dan 28 kilometer lang. De rondleiding is indrukwekkend, met historische verhalen, koninklijke connecties en een vleugje grandeur. Je voelt je er klein tussen de geschiedenis en het wereldsucces van één enkel drankje.
Ook Perrier-Jouët is het bezoeken waard, al was het maar voor hun Art Nouveau-stijl en prachtige flessen. En dan heb je nog Pol Roger, geliefd door Winston Churchill, die blijkbaar elke dag zijn lunch begon met een glas van hun champagne. Wie zijn wij om dat tegen te spreken?
Wat Épernay zo aangenaam maakt, is dat het ondanks al die grote namen, geen pretentieuze sfeer heeft. Alles is op wandelafstand, het tempo is traag, en de mensen zijn vriendelijk. Op een paar straten van de Avenue de Champagne vind je gezellige bistro’s, lokale bakkerijen en kleine pleintjes waar je met gemak een middag kan wegdromen.
We reden ook even buiten de stad, richting Hautvillers, het dorpje waar Dom Pérignon leefde en werkte. De abdij ligt er nog steeds, met uitzicht over de wijngaarden. Hier, tussen de stenen muren en eindeloze rijen druivenstokken, ontstond wat we vandaag kennen als champagne. Het is een plek die vanzelf tot stilte uitnodigt.
Een andere aanrader is een ritje richting de Montagne de Reims. Niet alleen voor de landschappen, maar ook voor de kleinere producenten die je daar vindt. Vaak familiebedrijven die al generaties lang champagne maken op hun eigen manier. Minder marketing, meer karakter.
Toen we de laatste avond terugwandelden langs de Avenue de Champagne, vielen de straatlantaarns langzaam aan. De gevels lichtten goud op, en het voelde even alsof we in een andere tijd wandelden. Eentje waarin alles iets trager ging, en kwaliteit het haalde van kwantiteit.
Épernay is geen stad waar je naartoe gaat voor spektakel. Maar als je van champagne houdt, van geschiedenis, van kleine details en grote smaken, dan is dit een plek die je minstens één keer in je leven moet ervaren.
">